Vroeger sprong iedereen zo de plas in — maar ons geheugen vertelt niet het hele verhaal
De vrijheid van toen herinneren we ons haarscherp. De ongelukken die er ook waren, veel minder. Een genuanceerd stuk over zwemvaardigheid, toezicht en eigen verantwoordelijkheid — zonder simpele schuldige.
Nostalgie is geen geschiedschrijving. We herinneren ons vooral de zomerdagen waarop iedereen veilig thuiskwam. De echte vraag is niet of we terug kunnen naar vroeger, maar hoe we vandaag omgaan met open water, zwemvaardigheid en verantwoordelijkheid — met de cijfers erbij, zorgvuldig gelezen.
Vraag iemand van boven de veertig naar zwemmen in de buitenlucht en de kans is groot dat hetzelfde beeld ontstaat. De hele buurt ging naar de plas. Fietsen in het gras, kleren op een hoop en zonder veel nadenken het water in.
Niemand die voortdurend keek. Nauwelijks borden, hekken of waarschuwingen. En in onze herinnering ging het bijna altijd goed.
Ik hoor die verhalen graag. Ik herken ook de vrijheid die eruit spreekt. Toch moeten we oppassen dat nostalgie niet hetzelfde wordt als geschiedschrijving. We herinneren ons vooral de zomerdagen waarop iedereen weer veilig thuiskwam. Niet de ongelukken die ook toen gebeurden.
De vraag is daarom niet of we terug kunnen naar vroeger. De vraag is hoe we vandaag omgaan met open water, zwemvaardigheid, toezicht en eigen verantwoordelijkheid.
Want het probleem is niet dat niemand ermee bezig is. Integendeel: overheden, waterbeheerders, reddingsbrigades en de zwemsector hebben dit vraagstuk juist nadrukkelijk op tafel liggen. Ze worstelen alleen met een werkelijkheid waarin niet ieder risico kan worden weggenomen.
We kunnen minder goed zwemmen dan we denken
Zwemveiligheid begint bij zwemvaardigheid. Juist daar ontstaan steeds grotere verschillen.
In 2024 had 14 procent van de kinderen tussen zes en twaalf jaar geen enkel zwemdiploma. Dat komt neer op ongeveer vier kinderen in een klas van dertig. Het percentage fluctueert door de jaren heen, maar het laat wel zien dat een zwemdiploma in Nederland nog altijd niet voor ieder kind vanzelfsprekend is.
Achter dat gemiddelde zitten bovendien forse verschillen. Kinderen uit kwetsbare sociaaleconomische groepen en kinderen met een migratieachtergrond hebben aanzienlijk minder vaak een diploma. Onder kinderen die zelf een migratieachtergrond hebben, had in 2024 ongeveer 40 procent geen zwemdiploma. Onder kinderen zonder migratieachtergrond was dat 9 procent.
Dat betekent niet dat ieder kind zonder diploma helemaal niet kan zwemmen. Andersom betekent een diploma evenmin dat iemand zich onder alle omstandigheden zelfstandig kan redden.
Een verwarmd zwembad met helder water, een vlakke bodem, lijnen, instructeurs en een kant binnen handbereik is iets anders dan een koude plas, rivier of kanaal. In open water kunnen plotselinge diepteverschillen, slecht zicht, waterplanten, stroming, een zachte bodem en grote afstanden een rol spelen.
Een rustig ogende recreatieplas kan daardoor levensgevaarlijk zijn.
Schoolzwemmen bereikt steeds minder scholen
Ook schoolzwemmen is niet meer vanzelfsprekend.
In 2021 bood 26 procent van de basisscholen schoolzwemmen aan of maakte gebruik van gemeentelijk schoolzwemmen. In 2025 was dat verder gedaald naar 21 procent: ongeveer één op de vijf basisscholen.
Dat betekent niet dat scholen, gemeenten of de zwemsector het onderwerp onbelangrijk vinden. Veel betrokken partijen zien juist hoe belangrijk zwemvaardigheid is. De praktijk is alleen ingewikkeld.
Schoolzwemmen vraagt om geld, voldoende zwembadwater, vervoer, gekwalificeerd personeel en ruimte binnen het onderwijsprogramma. Zwembaden staan ondertussen onder financiële druk en kampen op verschillende plaatsen met personeelstekorten en beperkte capaciteit.
De wens om ieder kind zwemvaardig te maken is breed aanwezig. De mogelijkheid om dat ook daadwerkelijk voor iedereen te organiseren, blijft achter.
Een diploma is een basis, geen levenslange garantie
Binnen de zwemsector bestaat niet het idee dat iemand met een diploma automatisch voor altijd zwemveilig is.
Zwemprofessionals weten dat vaardigheden onderhouden moeten worden. Een kind dat na het behalen van een diploma jarenlang nauwelijks meer zwemt, kan conditie, techniek en zelfvertrouwen verliezen. Ook volwassenen overschatten soms hoe ver of hoe lang zij nog kunnen zwemmen.
Daarnaast vraagt open water om andere vaardigheden dan een zwembad. Het gaat niet alleen om een mooie zwemslag, maar ook om rustig blijven, de situatie beoordelen, omgaan met kou en stroming en weten wanneer je juist niet het water in moet gaan.
Daarom moet de discussie niet blijven steken bij de vraag of iemand een diploma bezit. De bredere vraag is of iemand op dat moment, op die plek en onder die omstandigheden voldoende zwemvaardig en zelfredzaam is.
Koud water geeft weinig tijd om na te denken
Open water kan ook op warme dagen onverwacht koud zijn.
Bij een plotselinge onderdompeling kan een coldwatershock ontstaan. Iemand kan naar adem happen, versneld gaan ademen, in paniek raken en tijdelijk de controle over de ademhaling verliezen. Wie op dat moment met het hoofd onder water raakt, kan direct in moeilijkheden komen.
Bij langer verblijf in koud water nemen spierkracht, coördinatie en zwemvermogen af.
Het klopt dus niet dat iedereen binnen exact één minuut volledig de macht over zijn spieren verliest. Het gevaar zit erin dat koud water binnen seconden reacties kan veroorzaken waarop iemand niet is voorbereid.
Water hoeft er niet wild of dreigend uit te zien om gevaarlijk te zijn.
Een waarschuwing moet ook worden begrepen
Nederland is diverser geworden. Niet iedereen die langs een recreatieplas, rivier of kanaal komt, beheerst het Nederlands voldoende om uitgebreide waarschuwingen te begrijpen.
Dat betekent niet dat taalproblemen automatisch de oorzaak zijn van verdrinkingen. Daarvoor is het vraagstuk te complex en ontbreekt een eenvoudige bewijsvoering.
Het betekent wel dat alleen een tekstbord in het Nederlands niet altijd voldoende is.
Overheden en beheerders zijn zich daarvan steeds meer bewust. Op veel plekken wordt al gewerkt met pictogrammen, kleurcodes, meerdere talen en publiekscampagnes. De uitdaging is om waarschuwingen zo vorm te geven dat zij snel en door zo veel mogelijk mensen kunnen worden begrepen.
Waarschuwen is meer dan een bord plaatsen. Het gaat erom dat de boodschap aankomt, zeker op plekken waar de risico’s niet direct zichtbaar zijn.
Overheid en zwemsector zitten niet stil
Het zou onjuist zijn om te suggereren dat de overheid zegt: er stond toch een bord, dus daarmee is onze verantwoordelijkheid klaar.
Dat is niet de werkelijkheid.
Gemeenten, provincies, waterbeheerders, landelijke overheden, reddingsbrigades en beheerders van recreatiegebieden zijn druk bezig met vragen over toezicht, zwemwaterkwaliteit, risicolocaties, voorlichting en handhaving.
Ook de zwemsector zegt niet: iemand heeft een diploma, dus ons werk is gedaan.
Zwemscholen, zwembaden, brancheorganisaties, kennisinstituten en maatschappelijke organisaties houden zich juist intensief bezig met zwemvaardigheid, zwemveiligheid, toegankelijkheid en het bereiken van kwetsbare groepen.
Het probleem is niet dat niemand verantwoordelijkheid neemt.
Het probleem is dat de verantwoordelijkheid verdeeld is over veel partijen, terwijl open water zich niet eenvoudig laat beheersen. Nederland telt ontelbaar veel sloten, kanalen, rivieren, plassen en andere waterlocaties. Op al die plekken permanent toezicht organiseren is onmogelijk.
Ook handhaving kent grenzen. Een verbod instellen betekent nog niet dat er voortdurend iemand aanwezig kan zijn om dat verbod af te dwingen. Fysieke afsluitingen zijn niet overal uitvoerbaar of wenselijk. Toezicht, waarschuwingssystemen en reddingsvoorzieningen kosten bovendien geld en personeel.
Overheden en sectororganisaties zitten dus niet stil. Ze zitten ermee in hun maag, juist omdat iedere oplossing nieuwe vragen oproept.
De cijfers vragen om zorgvuldigheid
In 2025 overleden in Nederland in totaal 132 mensen door een accidentele verdrinking. Daarvan waren 100 mensen inwoner van Nederland en 32 mensen niet in Nederland ingeschreven, bijvoorbeeld omdat zij toerist of tijdelijk werknemer waren. In 2024 ging het om 146 accidentele verdrinkingen. Het aantal daalde dus in 2025, waardoor niet kan worden gezegd dat het ieder jaar onafgebroken stijgt.
Dat maakt het vraagstuk niet minder ernstig.
De cijfers fluctueren van jaar tot jaar en iedere verdrinking is er één te veel. Bovendien gaat het bij accidentele verdrinkingen niet alleen om mensen die bewust aan het zwemmen waren. Slachtoffers kunnen ook door een val, een ongeval of een andere onverwachte gebeurtenis in het water terechtkomen.
Soms worden daarnaast aantallen van 250 tot 300 verdrinkingen per jaar genoemd. Reddingsbrigade Nederland baseert dat aantal op een bredere analyse waarin ook andere oorzaken worden meegenomen dan alleen accidentele verdrinkingen, zoals verdrinking bij vervoersongevallen en zelfdoding. Die bredere telling kan daarom niet rechtstreeks worden vergeleken met de gebruikelijke CBS-cijfers over accidentele verdrinking.
De verschillende cijfers spreken elkaar dus niet noodzakelijk tegen. Ze beantwoorden verschillende vragen.
Gedogen is geen neutrale keuze
In Nederland bestaan plekken waar zwemmen officieel verboden of sterk afgeraden is, terwijl op warme dagen toch veel mensen het water ingaan.
Dat kan komen doordat een locatie al jaren als zwemplek wordt gebruikt, doordat handhaving beperkt is of doordat een verbod in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar blijkt.
Daar ontstaat een lastige keuze.
Laat je mensen zwemmen op een plek waar zij toch naartoe blijven komen en organiseer je daar toezicht en veiligheidsvoorzieningen? Of handhaaf je strikt, juist omdat de locatie aantoonbaar onveilig is?
Meer toezicht kan levens redden, maar kan ook de indruk wekken dat zwemmen op die plek veilig is.
Strengere handhaving kan duidelijkheid scheppen, maar vraagt capaciteit en voorkomt niet automatisch dat mensen elders of op een ander tijdstip alsnog het water ingaan.
Gedogen is ondertussen evenmin een neutrale oplossing. Wanneer jarenlang bekend is dat grote groepen mensen ergens zwemmen, kan niet worden gedaan alsof het gebruik niet bestaat.
Er moet dan bewust worden gekozen: de plek veiliger inrichten, toezicht organiseren, de toegang daadwerkelijk beperken of duidelijk uitleggen waarom een verbod noodzakelijk is.
“We zien wel” is geen beleid.
Ook eigen verantwoordelijkheid blijft noodzakelijk
Dat overheid en sector druk bezig zijn met zwemveiligheid, ontslaat burgers niet van hun eigen verantwoordelijkheid.
Wie niet of nauwelijks kan zwemmen, moet niet zelfstandig diep water ingaan. Wie alcohol of drugs heeft gebruikt, hoort uit het water te blijven. Ouders moeten jonge kinderen voortdurend binnen handbereik houden. Wie een duidelijk verbod negeert, neemt bewust een risico.
Ook goede zwemmers moeten hun eigen kunnen niet overschatten.
Geen enkele overheid kan naast iedere sloot een toezichthouder zetten. Geen enkele reddingsbrigade kan overal tegelijk aanwezig zijn. Geen enkel diploma kan garanderen dat iemand zich in iedere situatie redt.
Eigen verantwoordelijkheid is daarom geen excuus voor de overheid om niets te doen. Het is een onmisbaar onderdeel van een gezamenlijke aanpak.
Geen simpele schuldige, wel een gezamenlijke opdracht
De verleiding is groot om één partij verantwoordelijk te maken.
De overheid had beter moeten handhaven.
De beheerder had meer borden moeten plaatsen.
De ouders hadden beter moeten opletten.
De zwemschool had beter moeten lesgeven.
Het slachtoffer had beter moeten nadenken.
Maar verdrinkingen laten zich zelden door één simpele verklaring vangen. Vaak spelen meerdere factoren tegelijk: onvoldoende zwemvaardigheid, overschatting, kou, alcohol, een onverwachte bodem, stroming, gebrekkige communicatie of het ontbreken van toezicht.
Daarom is de oplossing evenmin enkelvoudig.
We hebben toegankelijk zwemonderwijs nodig, begrijpelijke waarschuwingen, gerichte handhaving, toezicht op drukke risicolocaties, voldoende reddingscapaciteit en burgers die hun verantwoordelijkheid nemen.
Niet óf toezicht, óf handhaving, óf opvoeding.
Waarschijnlijk hebben we ze allemaal nodig.
De vraag die we moeten blijven stellen
Vroeger sprong iedereen zo de plas in, zeggen we graag.
Maar vroeger was niet automatisch veiliger. Ons geheugen heeft nu eenmaal geen volledig ongevallenregister.
Vandaag weten we meer over risico’s, verschillen in zwemvaardigheid en kwetsbare groepen. Overheden, reddingsbrigades en de zwemsector werken hard aan oplossingen. Tegelijkertijd kunnen zij nooit ieder risico uitsluiten.
Daarom begint het gesprek niet bij de vraag wie er heeft gefaald.
Het begint bij de vraag welke verantwoordelijkheid iedere partij kan en moet dragen.
Waar is toezicht noodzakelijk? Waar moet streng worden gehandhaafd? Op welke plekken kan zwemmen juist veiliger worden gefaciliteerd? Hoe zorgen we ervoor dat ieder kind leert zwemmen? En hoe maken we duidelijk dat eigen verantwoordelijkheid niet ophoudt zodra iemand een diploma heeft?
Water onderhandelt niet.
Wij zullen dat gesprek daarom wél met elkaar moeten voeren — voordat een volgende warme zomer ons opnieuw met dezelfde vragen confronteert.
Zwemschoolhouder · voorzitter NSWZ · oprichter De WaterExpert en WaterZeker · dertig jaar zwemles, veertien zomers badmeester.