Meer zwemplekken maken ons niet vanzelf veiliger
De roep om meer verkoelingsplekken is op een warme dag begrijpelijk. Maar bewustwording en zwemvaardigheid wegen zwaarder dan beton — anders dweilen we met de kraan open.
Elke warme dag klinkt de roep om meer zwemplekken. Begrijpelijk, maar het verwart het probleem met de oplossing: de rem zit in zwemvaardigheid en besef, niet in het aantal plekken.
Elke warme dag klinkt dezelfde roep luider: geef ons meer plekken om te zwemmen, meer verkoeling. Begrijpelijk — mensen zoeken op een hete dag het water op, en waar het misgaat willen we snel iets doen. Maar na dertig jaar aan de waterkant maak ik me zorgen over de reflex erachter. We dreigen het echte probleem te verwarren met de oplossing.
Zoals ik eerder schreef: het water is niet veranderd, wij wel. En de kern zit niet in het aantal plekken waar je mag zwemmen, maar in wat mensen kunnen en beseffen als ze het water in gaan. Bewustwording en zwemvaardigheid wegen zwaarder dan beton — en daar zijn drie redenen voor.
We dweilen met de kraan open
Een nieuwe zwemplek is geen veiligheidsmaatregel als de mensen die er komen niet goed kunnen zwemmen of het gevaar niet inschatten. Dan vergroot elke extra plek juist de blootstelling. Eerst het fundament — zwemvaardigheid, gevoel voor koud en diep water — en dan pas de plek.
Bewustwording schaalt, beton niet
Nederland telt ontelbaar veel sloten, kanalen, plassen en vijvers. Je kunt onmogelijk overal een veilige, ingerichte zwemplek bouwen — en juist bij dat ongereguleerde water gaat het het vaakst mis. Bewustwording schaalt wél: wat mensen leren, nemen ze mee naar elke waterkant, ook waar niets is ingericht en niemand kijkt.
Het verschuift de verantwoordelijkheid
Hoe meer we het oplossen met plekken en voorzieningen, hoe makkelijker het wordt om te denken dat veiligheid iets is dat "geregeld" wordt. Maar water onderhandelt niet, en het kijkt niet of de plek netjes is ingericht. Eigen verantwoordelijkheid — kunnen zwemmen, nuchter blijven, je kind vasthouden — blijft de eerste lijn.
De cijfers wijzen dezelfde kant op. In 2025 overleden in Nederland 132 mensen door een accidentele verdrinking. Ernstig — maar het probleem schuilt niet in een tekort aan zwemplekken; het schuilt in vaardigheid en besef. Veertien procent van de kinderen tussen zes en twaalf heeft geen enkel zwemdiploma, onder kinderen met een migratieachtergrond zelfs veertig procent tegen negen procent zonder. En schoolzwemmen daalde van 26 procent van de basisscholen in 2021 naar 21 procent in 2025. Dáár zit de rem. Geen enkele nieuwe recreatieplas maakt een kind dat niet kan zwemmen veiliger.
Begrijp me goed: ik ben niet tegen goede zwemplekken — integendeel, mooie en veilige plekken om te zwemmen zijn waardevol. Maar het is de tweede stap, niet de eerste. Draaien we de volgorde om — eerst infrastructuur, dan pas de mens — dan bouwen we een land vol voorzieningen die het echte probleem niet raken.
Laten we de energie dus richten waar ze het meeste oplevert: leren zwemmen, gevaar leren inschatten, en het besef dat open water nooit vanzelfsprekend veilig is. Investeer eerst in mensen, dan in plekken. Dat is geen populaire boodschap op een warme dag — maar het is wel de boodschap die levens redt.
Zwemschoolhouder · voorzitter NSWZ · oprichter De WaterExpert en WaterZeker · dertig jaar zwemles, veertien zomers badmeester.